Wie ben ik spel: zo speel je het

Bij het Wie ben ik spel probeert iedere speler te raden welke persoon, welk dier of welk voorwerp op zijn eigen briefje staat. De anderen kunnen het antwoord zien. Door vragen te stellen waarop je met ja of nee kunt antwoorden, streep je mogelijkheden weg. Je hebt alleen papier en een pen nodig en kunt de moeilijkheid aanpassen aan de groep.

Wat heb je nodig?

Neem voor iedere deelnemer een klein briefje en zorg dat de briefjes op voorhoofden of ruggen kunnen blijven zitten. Een hoofdband of een stukje verwijderbare tape kan helpen. Leg ook een pen klaar. Spreek af of je echte personen, dieren, beroepen, voorwerpen of een mengeling daarvan gebruikt. Kies alleen onderwerpen die alle spelers redelijkerwijs kunnen kennen.

Speel je met jonge kinderen, gebruik dan eenvoudige woorden of tekeningen. Bij een gemengde groep kunnen spelers vooraf samen categorieën bedenken. Zo hoeft niemand te raden naar een personage uit een verhaal dat diegene niet kent.

Voorbereiden in vier stappen

  1. Schrijf voor iedere speler één naam of begrip op een briefje. Laat het antwoord niet zien aan de speler die het moet raden.
  2. Bevestig bij iedereen een briefje, met de tekst naar buiten. Controleer of de drager zijn eigen antwoord niet kan lezen.
  3. Spreek af wie begint en in welke richting de beurt verdergaat.
  4. Kies vooraf of iemand na een goed antwoord nog een vraag mag stellen of dat iedere speler per beurt één vraag krijgt.

Je kunt de briefjes ook door elkaar schudden en willekeurig uitdelen. Ziet iemand per ongeluk zijn eigen antwoord, wissel het briefje dan voordat het spel begint.

Vragen stellen en antwoorden raden

Een speler stelt bijvoorbeeld: 'Ben ik een dier?' De rest antwoordt met ja of nee. Daarna volgt de afgesproken volgende beurt. Met brede vragen maak je eerst grote groepen kleiner. Daarna kun je gerichter vragen, zoals: 'Leef ik in het water?' of 'Kan ik vliegen?'

Wie denkt het antwoord te weten, mag een gok doen. Spreek vóór de start af of een foute gok de beurt afsluit en of je vaker mag raden. Het spel kan eindigen zodra de eerste speler zijn antwoord vindt, maar doorspelen totdat iedereen klaar is geeft alle deelnemers de kans om de puzzel op te lossen.

Voorbeelden van bruikbare vragen:

Vermijd vragen waarop meerdere antwoorden mogelijk zijn, zoals 'Ben ik leuk?' Bij twijfel mag de groep een korte toelichting geven. Het doel is samen een raadsel oplossen, geen discussie winnen.

Varianten voor verschillende groepen

Met een thema worden de mogelijkheden overzichtelijker. Kies bijvoorbeeld alleen dieren, beroepen of dingen die je in de keuken vindt. Bij een moeilijkere ronde laat je de categorie weg of kies je begrippen die op elkaar lijken.

Een andere variant gebruikt een tijdslimiet. Een speler stelt binnen de afgesproken tijd zoveel mogelijk vragen. Houd de tijd ontspannen en pas hem aan de groep aan. Zonder klok werkt het spel net zo goed en krijgt iedereen ruimte om na te denken.

Wil je samenwerken, laat dan de hele groep vragen bedenken voor één speler. Daarna krijgt iemand anders een briefje en wisselen de rollen. Dat is handig wanneer deelnemers het spel nog niet kennen.

FAQ

Hoeveel spelers heb je nodig?

Met twee personen kun je al spelen: één bedenkt het begrip en de ander raadt. Met meer deelnemers kan iedereen tegelijk een briefje dragen en om de beurt vragen stellen.

Mag je andere antwoorden dan ja of nee geven?

Spreek dit vooraf af. 'Soms' of 'dat hangt ervan af' kan helpen als een vraag niet eenduidig is. De speler kan de vraag dan anders formuleren.

Wat als iemand vastloopt?

Geef een aanwijzing over de categorie of laat de speler een vraag overslaan. Een eenvoudiger begrip voor de volgende ronde houdt het spel toegankelijk.

Verder lezen